Amsterdam Montelbaanstoren

Montelbaanstoren
Oudeschans 2
1517, 1606

Versterking rond de Lastage

De Montelbaanstoren werd hoogstwaarschijnlijk in 1517 gebouwd als deel van de versterking die na de aanval van de Geldersen in 1512 om de Lastage werd aangelegd. Er werd toen een brede verdedigingsgracht gegraven (de huidige Oude- schans) en met de aarde die daarbij vrijkwam werd een wal opgeworpen. Karel V, de landsheer, gaf toestemming om de bieraccijns te verhogen ter bestrijding van de aanlegkosten van de verdedigingswerken. De herkomst van de naam Montelbaan, die voor het eerst opduikt in 1537, is nog steeds een raadsel.

Vanaf 1578 werden de verdedigingswerken van de stad gemoderniseerd en uitgebreid, te beginnen aan de oostzijde vanaf de Montelbaanstoren. Deze ‘eerste uitleg’ werd in 1585-1586 met het graven van het smalle deel van de Brouwersgracht  afgerond aan de westkant van de stad. Ruimtebehoefte leidde ertoe dat de stad vanaf 1591 aan de oostzijde alweer werd vergroot. Als gevolg van deze werkzaamheden verloor de Montelbaanstoren zijn functie als verdedigingstoren. Hij is toen verlaagd om niet boven de nieuwe bolwerken uit te steken en werd gebruikt als wachthuis of magazijngebouw. Bij de vensters in de onderbouw is nog steeds goed te zien hoe dik de verdedigingsmuren waren. Onzichtbaar vanaf de buitenkant zijn de schietgaten in de onderbouw van de toren.

Nieuw uiterlijk

In 1606 verkreeg de toren een nieuw uiterlijk. Nadat buurtbewoners hadden geklaagd dat zij geen slagklokken konden horen, besloot het stadsbestuur om de toren te verhogen en te voorzien van een klok en uurwerk, zodat ook de bewoners van de Lastage wisten hoe laat het was (de minutenwijzers werden overigens pas in 1890 aangebracht). De oude ronde torenromp kreeg een achthoekige bakstenen opbouw en een houten spits, vermoedelijk naar ontwerp van stadsbeeldhouwer Hendrick de Keyser. De houten draagconstructie van de toren begint al op de tweede etage, maar de houten opbouw begint pas vanaf zijn vierde verdieping. Deze bovenbouw beslaat nog eens vier verdiepingen tot en met de klokkenstoel, waarop een houten kap met bekroning rust. Een in 2006 uitgevoerd bouwhistorisch onderzoek heeft aangetoond dat omstreeks 1765 de houten muurstijlen over de derde en vierde verdieping van de verhoging zijn weggehaald. In plaats daarvan kwam de ingewikkelde, vrij in de ruimte staande constructie, die thans nog steeds in de toren aanwezig is.

De elegante bovenbouw met twee slagklokken, vier uurwijzers en een zeeridder als windwijzer vertoont overeenkomsten met de Oudekerkstoren uit 1565. Het eerste, gesloten deel van de spits heeft door driehoekige frontons bekroonde uurwijzers. Het tweede en derde deel van de spits zijn open en worden gescheiden door een balustrade. De houten spits is met lood bekleed en was geverfd in de kleur van Bentheimer zandsteen om het gebruik van natuursteen te suggereren. Vier jaar na de verbouwing tot klokkentoren, in 1610, ging de Montelbaanstoren naar één kant overhellen en bestond het gevaar dat het bouwwerk zou instorten. De toren was waarschijnlijk gaan verzakken door het vergrote gewicht, de windbelasting en door de stroming van het IJ- en Amstelwater die de fundering had verzwakt. Eerst werd de toren met palen en touwen gestut en vervolgens met kabels rechtgetrokken. Er

werd een nieuwe fundering gemaakt en een dikke muur rondom de torenvoet gemetseld. De toren kwam dus in een mantel te hangen, een techniek die wel vaker werd toegepast bij scheefzakkende torens. De toren vertoonde nadien nog iets eigenzinnigs: het slagwerk van de toren ging op een gegeven moment op de meest ongewone uren luiden. Na een tijd hielden de klokken dan op, om vervolgens zelfs enige dagen helemaal niet meer te luiden. Op een onverwacht moment barstte het gebeier dan weer los. De toren kreeg toen een tijd lang de bijnaam ‘Malle Jaap’.