Amsterdamse grachtenpanden

Grachtengordel: weerspiegeling van de Gouden Eeuw

Het huidige Amsterdam ontstond rond het jaar 1200, toen aan de Nieuwendijk voor het eerst vaste bewoning kwam. Uit archeologische opgravingen blijkt dat het gebied reeds in de Steentijd, zo’n 4600 jaar geleden, al bewoond was. Amsterdam breidde zich langzaam uit rond de Amstel. Aan het einde van de 16e en in de 17e eeuw groeide de stad aanzienlijk en ontstond de unieke Amsterdamse grachtengordel met water, vele bruggen, bomen en grachtenpanden.

De handel in de Nederlanden bloeide in de 17e eeuw en vooral Amsterdam profiteerde daar flink van. Vanwege de toestroom van mensen en industrie moest de stad uitbreiden. Dit gebeurde in vier stadsuitbreidingen, ook wel Uitleggen genoemd. Gedurende de 16e en 17e eeuw verachtvoudigde de Amsterdamse bevolking van circa 30.000 naar minstens 200.000 mensen. Het werd de grootste stad van de noordelijke Nederlanden en het middelpunt van stedelijk Europa.

De eerste twee stadsuitbreidingen (1585 en 1593) richtten zich vooral op het beveiligen en versterken van het bedrijven- en havengebied aan de westkant van de stad en op woningen en industrie aan de oostzijde. De huidige Amsterdamse grachtengordel ontstond in de 17e eeuw tijdens de Derde en Vierde Uitleg. De stad bleek namelijk opnieuw te klein voor de snel groeiende vloot en de vloedgolf van immigranten die voornamelijk uit de Zuidelijke Nederlanden, Frankrijk, Oost-Europa en Duitsland kwamen. In 1609 kreeg Amsterdam van de Staten van Holland toestemming voor een nieuwe fortificatie waarbij het stadsbestuur besloot tot doelmatigheid en schoonheid.

In 1613 startte het stadsbestuur de uitvoering van de nieuwe stadsuitbreiding in kleinere en grotere etappen, binnen een tijdsbestek van slechts enkele jaren. De uitbreiding bestond in grote lijnen uit drie delen: een gebied met drie grachten, de Jordaan en de Westelijke eilanden. In het nieuwe gebied kwam een duidelijke ruimtelijke scheiding tussen de verschillende maatschappelijke bestemmingen, zoals woningbouw en industrie.

De drie grachten bestonden uit de Herengracht, Keizersgracht en Prinsengracht. Deftige namen voor straten die bestemd waren voor de welgestelde inwoners van Amsterdam. Hier bouwden kooplieden, bankiers, stadsbestuurders en andere rijke Amsterdammers de prachtigste huizen. De verkaveling van de grachtengordel was gedurende deze stadsuitbreiding gebaseerd op de grote grachtenhuizen.

Het duurde bijna vijftig jaar tot de volgende stadsuitbreiding plaatsvond. De opgave en de omstandigheden waren vergelijkbaar met die van een halve eeuw eerder: namelijk een grote uitbreiding van de stad in een gebied dat sterk was verstedelijkt. Functionaliteit, esthetiek en opbrengst gingen bij deze stadsuitbreiding hand in hand. Het stadsbestuur deelde bouwblokken zo in dat bedrijven, industrieën en mensen die aan de grachten niet gewenst waren, naar de achterstraten moesten verhuizen.

De onderklasse werd buitengesloten van de grachtengordel door de grootte en de prijs van de kavels en het verbod op de aanleg van stegen, waarmee inpandige bebouwing onmogelijk werd.

De grachten werden vanaf 1660 tot over de Amstel doorgetrokken en het imago van de Herengracht werd nog verder verbeterd door de aanleg van de Gouden Bocht liggend tussen de Leidsestraat en Vijzelstraat. Dit is nog steeds hét voorbeeld van de rijkdom van de Amsterdamse inwoners. De stad heeft tijdens deze uitbreiding haar halvemaan vorm gekregen. Toen de groei van de bevolking en de economie na 1672 stagneerde, werd de grond die overbleef ingericht als tuingebied en verhuurd aan particulieren. De Hortus Botanicus kreeg hier onder andere een gebied toegewezen. Twee eeuwen lang was er geen nieuwe uitbreiding nodig om de natuurlijke groei van de samenleving op te vangen.